‘Ik kan me nou echt niet voorstellen hoe dat geweest moet zijn voor jou, of zelfs hoe je je nu voelt,’ zei een van mijn beste vriendinnen over mijn thuissituatie van vroeger. Nou, laat me dat je proberen uit te leggen.

‘Ik wil dat jij je een plek voorstelt waar je compleet veilig voelt.’ vertelde de psychiater me, toen we de oefening begonnen. Voor een fractie was de enige gedachte die in me op kwam ‘maar dat is nergens.’ Dat is hoe het voelt. Ik weet niet hoe het is om me veilig te voelen. Zelfs als ik alleen thuis ben, in mijn eigen huis, voel ik me niet veilig, want ik weet niet wat er kan gebeuren. Plus ik ben niet veilig binnen in mezelf. Ik weet niet hoe het voelt om ergens te zijn waar ik me veilig en geliefd voel. Ik weet dat mijn vriend van mij houdt, maar er is ook altijd een stem die zegt, ‘nee, hij heeft gewoon nog niet ontdekt dat hij niet écht van je houdt, omdat hij bang is om alleen te zijn.’ Wie zou het uitmaken als ik mezelf zou vermoorden? Iedereen blijft alleen maar bij me uit een plichtsgevoel, of gewoon omdat ik een liefdadigheidsgeval ben. Ik wéét dat mijn moeder van mij houdt, maar op een jonge leeftijd al, zag ik dat ze het druk had: druk om een moeder te zijn, druk om een vader te zijn, druk met alle huishoudelijke taken die ze in haar eentje deed, druk ons voor te lezen, druk met haar werk en in haar vrije tijd druk met haar vrienden. Ik kan me niet eens herinneren dat ze ooit stilzat toen ik jong was. Dus besloot ik dat ik mijn moeder niet zou belasten met mijn problemen, dat ik sterk zou worden zoals zij was in mijn ogen. Huilen was daarbij verboden, laten zien dat mijn vaders gedrag mij pijn deed al helemaal. Ik voelde me misschien niet veilig op school, maar ik had het wel het gevoel dat ik ertoe deed op de middelbare school. Dus spendeerde ik daar steeds meer tijd terwijl het einde van mijn tijd thuis eindelijk naderde. Om terug te komen naar de kamer waar ik zat met mijn psychiater, ik moest natuurlijk iets bedenken. Twee gedachten kwamen op: een hele gezellige kamer met een groot vuur, een kerstboom, een hond en dekentjes. Maar dat is niet veilig, wist ik, dat is gezellig en knus. En toen kwam het beeld van Oostenrijk. Een plek waar ik me vrij voelde op uitwisseling, vrij van alle plaatsen die belast zijn met herinneringen die ik zo hard probeer te vergeten, vrij, zelfs van de gevangenis in mijn eigen hoofd. Maar dit is een versie van de Oostenrijkse bergen die niet bestaat, die heb ik alleen maar bedacht. Veilig betekent voor mij dus of vrij of knus. Ik hoop dat ik ooit de echte betekenis van veilig zal leren. Als me dat lukt, kan ik heel tevreden zijn.

‘Als je niet alleen wilt zitten, moet je naast die rare Hannah zitten’. Ik kan het hem nog horen zeggen. Het was een van de laatste jaren van de middelbare school. Ik wil niet zeggen dat ik toen gepest werd, maar mensen begrepen me nog niet en vonden me gewoon echt heel raar. Ik zou liegen als ik zou zeggen dat opmerkingen zoals deze me niet kwetsten en op de basisschool, waar het erger was, kwam ik vaak huilend thuis. Maar dit is ook hoe het voelt: nooit begrepen worden omdat je zo anders bent, want wat thuis gebeurt, beïnvloedt je zo sterk dat je nou eenmaal anders bent. Toen ik veertien was, gaf ik niet om vriendjes, filmsterren of make-up zoals al mijn klasgenootjes. Ik wijdde me gewoon aan m’n schoolwerk, want dat was waarin ik erkenning kreeg, waardoor ik me iets beter voelde over mezelf. Het nooit begrepen worden, altijd buitensloten worden van de grote of populaire groepen is iets waar ik niet vaak aan denk. Ik vergeet het zelfs maar. Ik weet dat veel van mijn vrienden serieuze mentale gezondheidsproblemen hebben, omdat ze gepest zijn. Ik zou dat nooit ondermijnen, maar voor mij was het een tweederangs probleem. Want gekwetst worden door andere kinderen is nog altijd beter dan gekwetst worden door een van de weinige mensen bij wie jij je nou juist veilig zou moeten voelen. Het feit dat ik me thuis niet veilig voelde betekende dat ik opmerkingen zoals die hier maar gewoon negeerde. Want school was de plek waar ik kon ontsnappen.

We waren nog maar vier maanden samen ofzo. Ik had net zijn schoonzus en nichtjes ontmoet die in het buitenland woonden. Mijn hoofd bleef me maar vertellen dat zijn familie me belachelijk vond en dat ze dachten dat ik hem net als zijn voorgaande vriendinnen zou bedriegen. Daarom besloot ik maar te spelen met zijn nichtje van vijf. We waren aan het rennen door de huiskamer toen er een vaas viel en brak. Ik stopte abrupt en ik had al tranen in mijn ogen voor ik echt door had wat er gebeurde. Er was niemand tegen me aan het schreeuwen dat ik niets waard was. Sterker nog, het was alsof er niets gebeurd was, mensen gingen gewoon door met praten. Mompelend, meer tegen mezelf dan tegen andere, dat het me speet, pakte ik de stofzuiger. Ik verwachtte nog steeds dat er iemand boos zou worden. Dit is ook hoe voelt: verbaasd zijn dat een simpele fout niet bestraft wordt alsof het om iets extreem belangrijks gaat. Een herinnering die terug blijft komen is van toen er brand uitbrak in een van de achterste kamers van het huis en mijn vader binnen kwam, roepend dat ik iets moest halen om de brand te blussen. Ik dacht gelijk aan een wollen deken, want dat was toch goed voor brand. De eerste kamer waar ik die kon vinden was mijn vaders slaapkamer, dus ik rende daarheen om er een te pakken. Het volgende moment was mijn vader al terug en bleef hij maar tegen me schreeuwen dat ik zijn bed overhoop gehaald had, terwijl hij de brand al gedoofd had met een regenjas. Dus hij dwong me om zijn bed weer op te maken, terwijl hij maar herhaalde hoe dom ik was. Dit is ook hoe voelt: nooit iets goed kunnen doen, niet voor anderen, niet voor de wereld, niet voor jezelf, want je bent nooit goed genoeg.

Glimlachen en zeggen dat het goed gaat. Dat is ook hoe het voelt. Want mijn ergste nachtmerrie zou zijn dat ik gezien zou worden als ‘dat meisje met een slechte jeugd’, iemand om medelijden mee te hebben. Toen ik naar de middelbare school ging, besloot ik te stoppen met huilen, om alle emoties maar weg te drukken. Dus ik blijf glimlachen, tot ik echt niet meer kan. Want ik weet dat het leven te kort is om niet te glimlachen en, misschien nog wel belangrijker, dat het leven niet om mij draait en dat mensen niet willen weten hoe het echt gaat. Hoe het voelt is eenzaam. Er is niemand om je te vertellen wat normaal is of niet. Sociale fouten maken is deel van mijn leven, want ik heb geen idee wat normaal is. Mensen zeggen wel dat ze er voor me zijn en dat ze weten hoe het is. Maar eerlijk, bijna niemand weet hoe het is om maar door te blijven gaan als je zo erg gekwetst bent dat je niet eens meer weet wie je zelf bent, als je niet weet hoe het is om tevreden over jezelf te zijn, hoe het voelt om veilig te zijn of geliefd te zijn. En als ik dan instort, dan voel ik me zwak en zielig. Dan heb ik het gevoel dat ik mijn jeugd heb laten winnen en ik kan me dan niet voorstellen dat anderen me niet ook zien als belachelijk. Ik heb het gevoel dat iedereen me dan ziet als een mislukking omdat ik bezweken ben onder het gewicht van mijn jeugd, dat ik nu iemand ben om medelijden mee te hebben. Dus ik blijf een voet voor de andere zetten, want ik mag niet stoppen. Het voelt alsof ik dit pad altijd zal blijven lopen. Eenzaam, maar glimlachend, ondanks alles.